Zaken

Pitt en ik moesten voor zaken een paar weken achter elkaar vaak in District-L zijn. Zijn auto was weer  stuk, mijn motor had ik net verkocht, dus gingen we per trein.

Vanuit de trein ziet alles er anders uit. Wat je ziet is de achterkant. Die is niet persé lelijk ook al is het er altijd rommelig. Sloperijen, garages, schuren, bijeengeharkt struikgewas, achterkanten van achtertuinen, slootkanten, de achterkant van bedrijven op bedrijventerreinen.

Bij het station zelf zie je vanuit de trein soms hoekjes die je anders niet ziet. Bij District-L aangekomen, de trein schommelde langzaam het station binnen, stond er op een verlaten soort pleintje naast het station een donkergrijze cabrio op de stoep geparkeerd. Ernaast stonden een man en vrouw, hij bij de chauffeurskant, zij al wat weglopend. Ze leken geen afscheid te kunnen nemen. We zeiden het tegen elkaar, het viel ons op.

De volgende ochtend stond dezelfde auto op dezelfde plek, nu stonden ze tegen de auto geleund, de vrouw met haar lichaam tegen dat van de man gevleid. Weer wezen we elkaar op de wat vreemd aandoende situatie. Waarom stonden ze daar zo? Was dat iedere ochtend? Het leek weer alsof ze geen afscheid van elkaar konden nemen. Was het een geheime relatie?

Nu zijn Pitt en ik geen vreemden in het speurdersvak. Pitt ambieerde ooit een functie als rechercheur, maar liep vast op bepaalde criminele praktijken. Ik zelf struin het hele internet af als ik even de kans krijg, altijd op zoek naar nieuwe verbanden en ongekende verbintenissen. Er was dan ook niet veel nodig om ons op het idee te brengen om dit te gaan onderzoeken.

De volgende ochtend hadden we vrij, maar we besloten om weer naar District-L te gaan. We hadden zo het idee, dat de personen uit de nachtdienst kwamen van het nabijgelegen ziekenhuis. Pitt ging bij  de personeelsuitgang op wacht staan. Ik had mij in de buurt van hun afscheidsplek op het station verdekt opgesteld.

In de loop der jaren hadden we gezamenlijk, samen met nog wat vrienden, heel wat snuisterijen op het gebied van detectivewerk verzameld. Afluistergadgets, miniscule camera’s die je bij wijze van spreken als een moedervlek op je bovenlip kon plakken en met een tik op je smartphone kon bedienen. Onze mancave stond er vol mee. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik het eens ben met het woord ‘mancave’; ik ben geen man, en de cave is ook van mij en ik vind het daar ook prettig; het is zo’n seksistisch onderscheid waar weer geen moer van klopt.

Via oortjes en microfoontjes hielden Pitt en ik contact met elkaar. Al snel meldde hij bewegingen van P1 (de man; we hadden nog gediscussieerd over waarom de vrouw niet P1 was, maar goed, ik heb het er maar bij laten zitten, het liep uit de hand).

Bij mij ging het ook goed. De auto draaide soepeltjes het pleintje en de stoep op, op precies dezelfde plek als eerder. Verbeeldde ik het mij, of zag ik nou echt markeringen op de stoep? Even later kwam de vrouw aangelopen. In de verte zag ik Pitt zo onopvallend mogelijk proberen te doen. Wat volgens mij niet zo heel goed lukte. Waardoor  ik ook meteen aan mijn eigen onopvallendheid begon te twijfelen. Hoe dan ook, we waren weer getuige van deze stilzwijgende romance. P1 kwam de auto uit, P2 liep op hem af en kuste hem, hij pakte haar opeens wild beet en trok haar hard tegen zich aan. Haar hoofddoekje gleed daardoor van haar hoofd, maar ze merkten het niet. Pitt was verderop achter een boom gaan staan. Ik denk dat we net zo goed naast het stel hadden kunnen staan, ze gingen compleet in hun hevig tongzoenen op.

Dit duurde ongeveer 10 minuten. Daarna heeft ze minstens een kwartier tegen hem aan gestaan, zoals de dag daarvoor. Toen maakten ze aanstalten om afscheid te nemen. Weer kussen, handen vasthouden, kussen, fluisteren (ik hoopte dat Pitt zijn richtmicrofoon aan had gezet), en toen hij naar het portier liep zag ik weer precies dezelfde bewegingen als eergisteren.
Wat de fuck was dit?

‘CUT! CUT verdomme!’

Een gast met rood warrig haar en een snor kwam wild met zijn armen zwaaiend een grote bus uit die daar al die tijd geparkeerd stond. Hij kwam recht op mij af, en zag er nogal pissig uit. Rood aangelopen kop en zo. Pitt kwam meteen achter zijn tweejarige aanplant vandaan, en liep ook snel naar mij toe. Redhead begon tegen me te schreeuwen. Wat de fuck ik daar deed, wie de fuck ik wel niet dacht dat ik was, Queen fucking Ann of zo, en of ik wel wist dat ik godverdomme de hele fucking kutzooi naar de klere hielp en wat de fuck dat wel niet kost en zo. En hij had het over kutmongolen die altijd de boel kwamen versjteren, fucking altijd en altijd en altijd fuck.

Pitt sloeg hem hard. Te hard, naar mijn mening. Ik vind dat eigenlijk niet kunnen, het is toch behoorlijk agressief, ook al was de man zelf ook agressief, hij was niet fysiek gewelddadig. Nog niet, althans.

Nu kwamen er allemaal anderen bij, het werd behoorlijk chaotisch. P1 mepte Pitt tegen de grond, de man keek verbaasd naar zijn eigen vuist, die bloedde. P2 had snel haar hoofddoekje opgeraapt en was weggerend, richting de S33, wat mij niet zo’n goed plan leek. Redhead hing op zijn rug over de motorkap (er waren inderdaad markeringen aangebracht op de stoep, zag ik nu).
Een man met een grote studiokoptelefoon op kwam met een geluidshengel op me af. Ik wachtte niet tot hij daarmee iets ging doen, en rende ook richting de S33. Waardoor P2 waarschijnlijk dacht dat ik achter haar aanzat, en de drukke weg overstak . Idioot!

Toen de eerste auto haar raakte, kreeg ik een waas voor ogen. Een rood waas. Een waas waar geen einde meer aan kwam. De luiken gingen dicht als het ware. Ze gingen pas weer open drie weken later, toen ik wakker werd in een ziekenhuisbed. Hoe het met Pitt gaat willen ze me niet vertellen. Verder ook niets. Ik weet niets. Helemaal niets.