Wervelwind

Er was eindelijk eens een goede reden om Klotestad een tijdje te verlaten. Ik was uitgenodigd voor een crossmedia-festival in Barcelona, en vertrok vol goede moed maar bloednerveus per metro, trein, vliegtuig en bus naar een onrustig hostel in dezelfde wijk waar het allemaal zou plaatsvinden.

Het festival was zoals festivals zijn; mensen met badges aan keycords, mensen met gekleurde bandjes om de pols, en mensen met heel veel van beide, lelijke statafels in lelijke tenten, plastic bestek en heel veel gekwebbel. Waar ik me ooit zal thuisvoelen is me sowieso een raadsel, maar zeker niet hier. Tijdens de korte optredens die ik gaf, voelde ik mij een echte dichter, een echt persoon zelfs, misschien zelfs wel een held, maar tussen die twee bedrijven door, tussen al die professionele mensen, die zo professioneel professioneel doen, viel ik al snel door de mand als een sukkel op sokken die maar niet blijkt te kunnen leren hoe te netwerken, hoe mee te kwebbelen met de rest, of op zijn minst hoe te kunnen doen alsof.

In mijn poging mij zo onzichtbaar mogelijk te maken, botste ik tegen een groepje jonge mannen die in een hoek van de tent een statafel hadden geconfisceerd, en daar druk in debat waren, maar ik verstond het niet. Al minstens 10 keer heb ik mij de afgelopen jaren voorgenomen eens Spaans te gaan leren, maar tot nu toe is het er niet van gekomen. Zonde, want ik heb een beste talenknobbel. Zo versta ik al een vreemde taal na 10 afleveringen bingen, maar die kennis gaat weer snel verloren helaas.
Ik had al een paar uur tijd gerekt, want buiten was een storm gaande, waar ik beter niet in terecht kon komen. De heren van het kleine gezelschap verzekerden mij echter dat het gevaar inmiddels geweken was. Sterker nog, het was compleet windstil toen we naar een feest verderop in de straat liepen.

Hij heette Basajaun, wat hij voor me opschreef op een bierviltje omdat ik het weer eens niet verstond als domme kaaskoppige Klotestadter, en zei dat iedereen hem Baso noemde. Al snel waren we de rest van de groep kwijt. Hij verleidde me naar de dansvloer, naar de bar, terug naar buiten, langs nog een bar.
We vlinderden door de stad. Bij de Pipa Club, deze editie gekozen tot festivalcafé, kwamen we in een lange rij terecht; het was er te druk en alleen als er een paar mensen weggingen, mochten er een paar naar binnen.
Dus kochten we een fles wijn bij een piepklein cafeetje, en dartelden naar een park in de buurt.

Daar bood hij zichzelf aan. Voor slechts 100 euro zou hij de rest van de nacht bij me blijven. En de liefde met mij bedrijven. Het was duidelijk dat hij dit vaker deed. Heel even was ik teleurgesteld, misschien zelfs wat bedrogen. En ondanks dat het mij natuurlijk al de hele avond duidelijk was, dat we minstens 25 jaar in leeftijd scheelden, dreunde mijn ouderdom weer even kneiterhard in mijn toch vaak als jeugdig geroemde en toch ietwat gerimpelde gezicht. Ik geneerde me. Dacht aan mijn ouder wordende lichaam, in tegenstelling tot zijn jeugdige strakheid, die hij al de hele avond ruimhartig aan mij had geëtaleerd.

Ik besloot mijn twijfels uit te spreken, en natuurlijk had hij dit vaker meegemaakt, en natuurlijk was het geen probleem, en eigenlijk dacht ik ook: ach what the hell en what de fuck. Bij het pinnen hield hij discreet afstand, en toen ik hem een straat verder al het geld wilde geven, weigerde hij, maar ik drong erop aan. Zodoende kon hij nog vluchten, weg van het oude, terug naar zijn jongheid – ik had het hem meteen vergeven als hij met het geld was weggerend.

Hij rende niet weg. Hij dartelde voor me uit, door de donkere straten. Bij een omgevallen boom tilde hij me als een gentleman over de grote takken.
Hij kuste me hartstochtelijk, de rest van de nacht. Onze ogen versmolten, onze lichamen deden van alles met elkaar, het was fantastisch. Het verschil tussen ons werd kleiner en kleiner, en toen het al lang licht was vielen we in elkaars armen in slaap.

Ik werd wakker van de deur die in het slot viel. Hij had een briefje achtergelaten. Hij schreef dat hij geen afscheid had willen nemen, maar dat hij wel moest gaan.

Omdat ik na deze aaneenschakeling van inspannende bezigheden te lui was om met de bus naar het vliegveld te gaan, nam ik een dure taxi. De chauffeur waagde een poging tot lonken, maar toen hij merkte dat dit niet ging lukken, zette hij de radio aan en hield zich verder gedeisd.
Na iets wat op een ellenlang journaal leek, hoorden we de wonderschone klanken van een gitaar.
“Mercedes!” zei hij, “Mercedes, you know her?”
“Yes, yes, it’s beautiful!”
Hij lachte weer naar me, en zette het geluid harder.

Gracias a la vida que me ha dado tanto
Me dio el corazon que agita su marco
Cuando miro el fruto del cerebro humano,
Cuando miro al bueno tan lejos del malo,
Cuando miro al fondo de tus ojos claros

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *