Voetzoeker

Al uren liep hij door de stad. Hij wist niet waar hij het zoeken moest. En wat zocht hij?
De stoep was blijkbaar pas geveegd, daar lag niets. Tussen de auto’s door liep hij de ventweg op, keek tussen de fietsen, onder een Peugeot. Er stond een plastic tas met lege flessen, waarschijnlijk was iemand boodschappen gaan doen en ze bij het fietsenrek vergeten.
Hij pakte een fles – Famous Grouse – en gooide hem stuk op de klinkers. Met zijn gymp scharrelde hij tussen de glassplinters. Misschien moest hij naar zijn lens zoeken. Hoe zou hij die ooit kunnen vinden? Hij zocht verder. Schopte een chipszak door de berm. Doolde wat rond tussen de fietsen en de auto’s, zijn ogen op de straat gericht.
Bij een groot putdeksel stak hij zijn wijsvinger in het gat. Het zou best kunnen dat zijn lens daar doorheen gevallen was. Hij probeerde het deksel te lichten. Werd daar niet een soort stang voor gebruikt? Een koevoet? Als hij nou een stevige stok zou vinden…

Hij zocht verder.
De bomen hadden niets laten vallen.
Hij liep verder richting Churchilllaan, waar het in de middenberm nogal parkachtig was, mensen lieten er hun honden uit, dus meer kansen op een goede stok.

Het was weer gaan regenen. Al snel was hij doorweekt. Tussen de paraplu’s en capuchons bij het stoplicht manoeuvrerend, stak hij dwars het kruispunt over. Fietsers schreeuwden hem verwensingen toe, automobilisten sloegen op tilt; dit was zijn waterballet, tussen claxons en middelvingers.

Al bij de eerste hondenpoepprullenbak lag een tak. De bast was er aan één kant afgeknaagd, maar het was een mooi, stevig, handzaam exemplaar.

Nu moest hij iemand vinden om te slaan.
Een dikke vrouw in fladdergewaad stond op een paar meter afstand, met haar rug naar hem toe, het bijbehorende aan alles en nog wat snuffelende hondje te bekijken.

Te makkelijk. Ze zou geen enkele weerstand bieden.

Maar wilde hij dat dan, weerstand?

De stok voelde goed. Hij móest het doen. Hij moest alleen op zoek naar het juiste slachtoffer.

Niet te dik, niet te dun. Man, vrouw? Leeftijd?
Hij besloot naar een drukkere winkelstraat te gaan. Daar had hij keus genoeg.

Hij bekeek alle gezichten die zijn kant op kwamen. Zocht hij een gelukkig gezicht, een norse blik, een slaperige kop? Een groepje mannen in hengstenbalopstelling met in het midden de aanstaande bruidegom in knalroze condoompak, kwam hem tegemoet. Dit was de man die hij zocht. Dit zou zíjn dag worden. Een dag om nooit meer te vergeten.

Hij liep een eindje door, draalde wat bij een etalage, en keerde om de groep op afstand te volgen. Hij zag ze nog net de Ierse pub binnen gaan. Perfect! Eerst bier, dan spelen.

De laatste keer dat hij in een Ierse pub was geweest, vlogen de barkrukken door de tent. Hij had ze weten te ontwijken, en was al op weg naar buiten, toen hij een Viking tegenover zich kreeg. De man was minstens drie koppen groter. Gelukkig stond de ijsemmer binnen handbereik op de bar. Hij smeet eerst de inhoud in het gezicht van de reus, daarna de emmer.

Het kriebelde in zijn maag. Zijn bloed begon te borrelen, zijn hoofd bruiste. Hij stopte het slaghout in zijn linkermouw. Voelde zijn handen jeuken. Letterlijk. Hij wist dat hij afgerost ging worden, natuurlijk. Maar hij kon niet meer terug. Wilde niet meer terug.

Hij was er klaar voor.