Tram 12 richting slachthuis

We kennen de beelden. Het boemelt wat. Het is warm en rozig. Koppen en ledematen steken uit kieren en wat men ramen zou kunnen noemen. Je zou in slaap kunnen vallen. Of je weet wat er aan het eindpunt is of niet, dat waar je bang voor bent komt dichterbij.

De tram stopt. De zon schijnt. Maar de zwarte vlekken op mijn eens zo lichte ziel verduisteren het zicht. Het doek valt, zou je kunnen zeggen. Maar er is geen doek, geen kans, geen tijd meer om na te denken. En dus doe ik dat ook niet. Als de receptioniste haar hand uitsteekt om mijn brief aan te nemen, steek ik werktuigelijk de mijne uit, als wilde ik haar de hand schudden.
Reflecteer jezelf.
Mijn ziel reflecteert slechts anderen.
Het donker zuigt dieper en dieper naar binnen, totdat ik stik in een duisterder zwart, een niets, een vacuüm waarin ik ergens ben. Maar waar? Waar ben ik nog, in deze shit oceaan van jargon, deze strontpoel van drijvende gedachten, onuitgesproken angst, ontkenning van mij?

De ontmoedigde gezichten in de ontvangsthal spreken boekdelen. Een grote man loopt me bijna omver. Het zicht werd hem ontnomen door de zware donderbui rond zijn denken.

Vee. We zijn vee.

In de wachtruimte zwijgen we. Een zacht goedemorgen wordt met een hoofdknik, soms een glimlach begroet. Ik wil praten, maar het is er te stil. Men luistert mee. En ik word al opgehaald.

Een gesprek dat maar geen gesprek wil worden. Meerdere keren onderbreekt de jonge vrouw mij. Zodra ik mijn mening dreig te gaan geven over mijn werkloosheid, snoert ze mij de mond.

We denken hier in kansen, zegt ze.

Ik zou willen vragen, waarom zij denkt dat ik een kans maak, als er 650.000 werklozen zijn, en slechts 150.000 vacatures. Ik houd mijn mond.
Ik wil haar een dilemma voorleggen. Weer onderbreekt ze mij. Ik voel de druk, maar ik houd mijn mond.
Dan klapt er iets, iemand slaakt een gil. Alle lichten vallen uit, de pc van de klantmanager dooft met een aflopende zoemtoon. Vrij snel gaat de noodverlichting aan. Ik mag gaan.

Door de stroomstoring ligt het openbaar vervoer plat. Ik wandel door het park; de kraaien roepen naar elkaar zodra ze me zien.
In de drukke stad laveer ik tussen de toeristen door naar de openbare bibliotheek, waar je in alle rust en gratis kunt zitten, met uitzicht over Klotestad. Gestrande reizigers met hetzelfde plan en een groep toeristen staan achter mij te kletsen.
Hun scherpe stemmen storen me niet meer. Ik heb de stilte van het slachthuis in mij.
Lovely view!

Vond ik de trap naar de bovenste verdieping maar. De uitweg. Steeg ik maar boven het glazen plafond, naar boven, naar boven, steeds verder. Niet de diepte zien, niet het vliegtuig tegen de berg parkeren, niet de sprong wagen, niet blijven hangen.

Eén miljoen mensen zonder stroom, geen tram, geen trein, geen metro. Het begint te regenen. De tijd tikt, de druppels glijden langs het dikke glas. Hoe wonderlijk: ik zie de seconden droog, de seconden nat. De seconden droog, de seconden nat. Als het water je tot de lippen stijgt, dan tel je in stappen, uren, tellen, maanden, zonnevlagen, maanverschijningen. Hoe korter de tellen, hoe langer de stappen.
Ik wil grote stappen nemen. Ik heb haast. Honger naar kennis. Dorst naar vrijheid.

Maar ik leef onder de dekens. Mediteer, masturbeer, pimp je gedachten, denk in kansen.

De lichten gaan weer aan. Ik check mijn twitter, facebook, gmail. De heilige drie-eenheid. Heen en weer, weer terug en nog een keer. Je weet maar nooit. De letters vliegen over het schermpje, één woord blijft me bij: rondvaartboot.
Zoveel verdiepingen lager varen ze langs. De bijna buitenaardse platbodems met zoveel mogelijk glazen bekapping, zodat er wat te zien valt voor de mensen en de camera’s aan boord. De schipper die zijn standaard grap aan het eind van de vaart – achtentachtig prachtige grachten – inzet om de klomp weer gevuld te krijgen met fooien.
Note to self: bereken hoeveel mensen ze dagelijks vervoeren, de kosten en het normale loon van de schipper. En of het dan erg is als je hem geen fooi geeft.

Het is koud geworden. Ik moet gaan.