Stof

Genadeloos worden, tot niets er meer toe doet. De draad doorsnijden, gewoon, bot, rafelig, niets ontziend. Zo zou ik willen zijn.
Ronddraaien terwijl ik val. Zwaaien met mijn armen richting de aarde. Zien ze dan niet waar ik ophoud te bestaan? Komt er geen einde aan mij? Ben ik nu al te nietig om voor op te staan?
Er moet toch een manier zijn om de situatie te keren. Omhoog in plaats van steeds sneller naar beneden.
Inmiddels striemt de ijskoude lucht mijn gezicht. Ik denk aan wat er gezegd zal gaan worden.
“Waarom is hij gesprongen?”Ik sprong niet, ik viel.
En als je valt, heb je geen briefje achtergelaten voor de nabestaanden. Als je valt, komt dat omdat je uitgleed. Geduwd werd. Duizelig was geworden van alles om je heen. Onwel van de vieze lucht, de ijle lucht, de verzengende stilte, de klamme handen waaraan je wilt ontsnappen, het schrale licht van een nieuwe dag.
Dat je valt, kan voor niemand een verrassing zijn. Toch vragen ze zich af, waarom er verse druiven in de fruitschaal liggen, het bier koud staat, er drie bibliotheekboeken in je tas blijken te zitten, die je kort daarvoor geleend hebt. Het boodschappenlijstje dat nog een plan leek te zijn:

melk
10 eieren
tomatensap
(onleesbaar)
eten voor met S. zaterdag
wijn 3x

De kurketrekker in mijn jaszak riep ook vragen op. Onder mijn nagels vond de patholoog-anatoom steenachtige schilfers waarvan de samenstelling in geen enkele database ter wereld bekend was, volgens de ochtendbladen.
Buitenaards, meldde een meer sensatiebeluste krant.

Inmiddels is het stil. Niemand meer die vragen stelt, antwoorden eist. Stof werd weer stof. Simpel.
Ik eet tijd.
Verga door werelden van pijn, met miljoenen tegelijk. Stijg op. Stort neer. Harder, sneller, vaker. Ik ben een seconde. Ik ben iedere seconde. Steeds opnieuw sterf ik, om meteen weer geboren te worden.
Waar ben ik nog? Ben ik nog? Oer-tijd. Knal.
Weg.