Graftak.

Langs de rivier liep ik, over het jaagpad, bij windkracht 7. Ik waaide bijna het water in. Voorbij de begraafplaats, waar ik de hond eens mee naar toe had genomen. Hij was vooruit gerend, en toen ik hem ging zoeken zat hij op het graf van een kort geleden overleden Bekende Nederlander.

Ik noem geen namen. Van de doden niets dan goeds, behalve als ze fout waren.
Het had al dagen geregend, en door de vele voetstappen rond het graf was het een modderpoel geworden, waarin de dode onder zijn stenen versierselen lag begraven.

Even dacht ik dat de hond zat te schijten, en misschien was hij het ook net van plan. Maar zodra hij me zag, sprong hij van de pompeuze grafsteen, waarbij één van de vele boeketten die er op lagen, in de modder belandde.
Terwijl ik de bloemen oppakte en bijna in de prut uitgleed, verscheen er een rollator in beeld. Aan boord een aantal halve liters bier. En aan de handvatten een oude jongere, in trainingspak, een zwarte riem om de linkerarm, als rouwband nam ik aan, maar het leek meer alsof hij net gestoord was bij het zetten van een shotje.
De manier waarop hij mij een blik bier aanbood, was als van fans onder elkaar. Denk ik, want ik ben nergens fan van.
Ouwe jongens krentenpoep.
En meteen stak hij van wal over hoe erg, hoe jong, té vroeg, en of ik hem óók persoonlijk had gekend. Hij schatte mij ouder dan ik ben.
Terwijl ik het bosje bloemen teruglegde, zei ik dat ik een bloedhekel had aan musicals. De man keek van de bloemen naar mij, en weer terug, de versteende resten van het ooit zo bloeiende leven van de dode voetballer tussen ons in.

Hij begreep mijn grap niet. Ik vond het wel best.

Met moeite klokte ik een paar slokken lauwe pis weg, met de rest van het bier waste ik de modder van mijn handen. De hond kwam trots met een bos gedroogde lelies aan alsof het een tak was.

Nu liep ik hier weer, langs het nog maar pas opgetrokken crematorion aan de achterzijde van het dodenpark. De doodse feestelijkheid van het begrip partytent kwam goed tot zijn recht in dit witstenen gebouw met designtechnisch verantwoorde kampschoorsteen, waar mensen voortaan zélf hun doden konden verbranden. De link met maffiataferelen was gauw gelegd.

“Terug de stad in”, blaast de wind. Achter me hoor ik kordate stappen. Als ze me inhaalt en voorbij snelt, ruik ik een frisse zepige parfum. Borsten, billen? Ten eerste is het winter, en ten tweede kijk ik altijd naar de schoenen.
Mensen met gympen vind ik het leukst, zeker in de winter, want dan is het een echte gympen-diehard. Of iemand met een voetprobleem. Of verdomd weinig geld.
Allemaal erg sympathiek, want in het herkennen schuilt de liefde. En die herkenning begint bij het meest opvallende deel aan de oppervlakte, in dit geval het tikkende schoeisel.

Ze droeg geen gympen. Wel een lange, bordeauxrode winterjas, een zakelijke bruine broek, en zwarte sleehakken. Sledehakken. Sleephakken. Maar dit waren hele bijzondere. Ondanks dat ze erg snel liep en ik haar met moeite bijhield, was te zien hoe een klapmechanisme tussen de zool en de sleehak bij iedere stap een witte tussenruimte opende.
Zag ik het goed, was dit een klapsleehak?

Het intrigeerde me zo, dat ik mijn pas versnelde.

Maar ze was me te snel af. Ze liep inmiddels midden op het fietspad. Een oude man die haar wilde inhalen klakte met zijn tong, alsof hij haar wilde aansporen nog sneller te lopen. Even leek ze te twijfelen: links of rechts.
Zou ze op weg zijn naar een sollicitatiegesprek? Of gewoon naar haar werk, maar bedacht ze zich – net op tijd – dat rechtsaf door het park modder op de schoenen betekende. Ze ging links, een ander pad op, waarvan ik wist dat het naar een parkeerplaats alsook een bedrijfsverzamelgebouw leidde.

Toen ik bij het pad kwam, zag ik haar al aan het einde daarvan. Er liep opeens een man naast haar. Waar kwam die vandaan?
Ik wist een sluiproute, en haastte mij via een tunneltje en een glibberig bebladerde trap naar het punt waar ze had moeten uitkomen.
Ze was er niet.
De man ook niet.

De stad kent vele sluiproutes.