Sluimerdans

Die keer dat ik in een café was, de ruimte dijde uit naarmate de avond verstreek en mijn keuken lag ernaast, iedereen kon zo doorlopen en het zand van de ene houten vloer naar de andere en waar de katten brokjes aten was overal en ik hield je vast want ik wilde je alleen maar dichtbij en je was dichtbij maar al het andere was er ook, en je huilde en werd boos en toch hield ik je vast en kuste je zacht terwijl je steeds meer veranderde in een gefrustreerde hooligan maar ik bleef van je houden en ik hield je vast en dichtbij want ik wilde je alleen maar dichtbij en je was dichtbij en je leek op al je voorgangers – het zijn er nogal wat, wil je een lijst ik geef je een lijst – en je vertelde me al je angsten en zorgen en de frustraties liepen op, je leek mij wel. Was je mij? Werd ik jou?
In de achterkamer was het kantoor van de hulpverlener die jobcoach werd en daarna intercedenterig de administratie doornam van het aldaar plotsklaps gevestigde uitzendbureau en de grap die dat is maar dat jij inmiddels zo wanhopig huilde en ik je maar vast bleef houden – ik wil je niet kwijt, nooit meer!
En dan die man, nogal asociaal type want hij schreeuwde en dolde met zijn pitbull waardoor het een puinzooi werd en iedereen beetje angstig want ja, toch een pitbull en ik at een cakeje maar de pitbull sprong over mijn stoel en hap slik wegte het in één hap stond hij op de tafel uit te hijgen van het spelen en zocht naar meer prooi. Snel pakte ik het getijgerde kittentje die bijna wegrende om die in veiligheid te brengen – Takeshi noem ik je in mijn hoofd maar je bent haar niet en ik mis weer wat er was en waar het was en.