Mulder’s Mijmeringen: Topfun

Het is eenzaam aan de top.
In de goot komt er ook meestal niemand naast je liggen, of het moet het legertje passievolle juten zijn, dat je van je koude slaapplaats komt verjagen. Gewetensvraag: met wie zou je het liefst een set fijne, schone lakens delen: een agent of een BN’er? In beide gevallen mag je ze niet zelf uitkiezen, dat zal het Noodlot doen.
Ik zou met één laken op de bank gaan liggen, die BN’er mag met al het andere beddengoed het bed voor zichzelf.

Agenten heb ik liever niet aan de keukentafel, en al helemaal niet in m’n bed; vroeger zaten ze nog wel ‘s achter me aan voor de hun lol, tegenwoordig schijnt de achterkant van mijn lichaam regelmatig aan signalementen te voldoen. Dat ik ze vanuit m’n ooghoek achter me aan zie komen kachelen op hun dienstfietsjes, en pas als ik me omdraai en ze mijn gezicht zien, ze enigszins opgelucht rechtsomkeert maken, terwijl ze codetaal in hun schoudervullingapparatuur lispelen.

Lang geleden, toen we nog vrijelijk buiten Klotestad konden reizen, was ik een tijdje in wat toen nog Italië heette. Bij het minste of geringste kreeg je daar de carabinieri op je dak. Soms letterlijk. Die reis had vele dieptepunten, maar één moment lag zo kilometersdiep onder de aardklootkorst, dat ik dat toch graag even wil oprakelen.

Op een warme zomeravond zat ik met wat vage kennissen in een kleine auto, we rookten wat Afghaan die ik voor ze had meegenomen. Het autootje stond al snel blauw van de rook, en toen ik om die reden een raampje opendeed, zag ik iets donkers bewegen in de buitenspiegel. In dezelfde seconde leek er iets zwaars op de auto te vallen, en werden de autodeuren opengerukt door een horde schreeuwende mannen. We werden de auto uitgetrokken, ik griste mijn tas nog snel mee.

De mist zowel in de auto als in onze hoofden was snel verdwenen. Op de schaars verlichte parkeerplaats stonden we omsingeld door een grote groep boze carabinieri. We hadden geen idee.. wat moesten ze van ons? Terwijl het autootje werd doorzocht – een chillum werd achteloos bekeken en weer terug de auto ingegooid – zette één bruut zijn dienstwapen tegen het hoofd van een kennis, en een andere engerd schreeuwde tegen me dat ik mijn tas moest laten vallen; zo niet, dan zouden ze de kennis een kogel door de kop jagen.
Mijn Italiaans is niet geweldig, dus het duurde even voordat ik dat volledig begreep.

Ik had de tas juist meegegrist, omdat er zich nog een klein stukje hasj in bevond, verstopt in een stukje zakdoek in m’n portemonnaie. In een hel van angstige gedachten (ik zag mezelf al jaren achter tralies in een groezelige cel) gooide ik de tas een paar meter voor me uit, en meteen dook er een bruut op, die de hele inhoud op straat leegschudde. Ze bleken niet te vinden wat ze zochten – ook niet in de auto, en met evenveel geschreeuw als waar ze mee kwamen, vertrokken ze weer naar hun duistere krochten.

Wapens.
Ze waren gewoon op zoek naar wapens. Die wij niet hadden, gelukkig.
In de weken daarna werd ik verschillende keren aangehouden, en steeds was mijn tas hun doelwit. Iedere keer weer werden m’n tampons, sigaretten, leesvoer en whatever uit de tas op het wegdek geschud. Hilariteitje hoor, tampons, lache! Eén keer zelfs moest ik mee naar het bureau, en terwijl ik probeerde uit te leggen dat ik in het ziekenhuis had gelegen met ernstige brandwonden (another long story), dwongen ze mij dat te bewijzen door mijn broekspijpen op te stropen. Het groepje rechercheurs stond om mij heen, starend naar mijn benen. Lachend.


Later bleek, dat de tot uitputtende vervelens toe herhaalde commotie werd veroorzaakt door de kartonnen bodem van mijn tas, die door al het gereis tot een dikke rol was vervormd, en die alle carabinieri van godgans Italië het idee van de mogelijke aanwezigheid van een vuurwapen gaf.

Nu, jaren later, vermaak ik mij met 6 seizoenen televisieserie, waarin agenten elkaar het leven hevig zuur maken.
‘Bent bastards!’
Het is vreselijk maar I love it.