Aan de keukentafel (8)

Er zijn van die mensen, dieren, dingen die je blijven achtervolgen. Zo word ik vaak lastiggevallen door Mijn Gedachten. Ze komen en gaan wanneer ze willen, en laten zich meestal niets aan mij gelegen liggen.

Gisteravond namen ze brutaal plaats aan de keukentafel, terwijl ik eigenlijk al mijn tanden wilde gaan poetsen; ik had net een tandenstoker uit het doosje geprutst, toen ze begonnen tegen te sputteren.
“Toe, Mulder, drink nog een glas met ons!”
“Kom op, je hoeft niet naar je werk – je hébt geen werk! Niet zo flauw, neem nog een biertje!”

Natuurlijk hadden ze gelijk, en who cares en wat hebben tientallen tegenargumenten voor zin als ik het toch al in mijn hoofd heb.

Mijn Gedachten juichten, en schoven snel een extra stoel voor me aan. Wat nodig was, want ze zijn met zoveel – de keuken was al behoorlijk vol. In het geroezemoes probeerde ik één zinnige Gedachte te vinden waar ik een conversatie mee zou kunnen aangaan. Nu kun je je afvragen wat zinnig is, en sowieso kun je je afvragen of ik überhaupt wel zinnige Gedachten heb.
Het was niet te doen. Alles en iedereen buitelde over elkaar heen, met mij ergens in het verdwaalde midden, dat je met de grootst mogelijke wil van de wereld ook geen midden meer kon noemen: een zwart gat paste er beter bij.

Dus zwijgend dronk ik het bier dat mij werd voorgezet. Misschien moest ik Mijn Gedachten ergens mee naar toe nemen. Een verzetje, zodat ze wat rustiger zouden worden. Het bos was mijn favoriete plek, de vraag was alleen of dat ‘s nachts ook zo zou zijn.
Ik stelde mijn plan voor, en iedereen ging akkoord, behalve Paniekgedachte en Angstgedachte, maar die hadden altijd overal bezwaren tegen. Ze konden ook thuis blijven, opperde ik, maar dat vond Veiligheid weer geen goed plan.

Het duurde even voordat het hele gezelschap buiten was. Onderweg werden we kort gevolgd door een kalende man in een oude Kever. Hij minderde vaart en ging naast ons rijden, en riep obscene dingen naar ons. Paniek en Angst wilden er meteen vandoor, maar de al jaren parate Woede vond dat er een middelvinger opgestoken moest worden. Veiligheid was het daar ook weer niet mee eens, en besloot samen met Shutdown mijn lichaam over te nemen, zodat ik als een mechanische clown doorliep, zogenaamd zonder verder acht te slaan op de gore klootzak, die nog steeds naast ons reed.
Even verderop bij een hotel stonden 2 redelijk potig uitziende types voor de deur, die gealarmeerd waren door de langzaam rijdende auto. Ze deden een paar stappen vooruit en meteen gaf de viezerik vol gas de straat uit.
De mannen zeiden ons vriendelijk gedag, wij groetten terug in koor.


In het bos was het bijna stil, alleen heel in de verte hoorde je af en toe iets gemotoriseerds. De bomen praatten ritselend over zaken waar wij geen weet van hadden. Mijn Gedachten fluisterden nog in zachte flarden, woorden die uitdijden en weer krompen en langs de bladeren en de paden in een geschiedenis zonder tijd vervlogen, mijn leven was wijds en open en rustig wandelden we over de donkere paden. Langzaam wenden onze ogen aan de duisternis, en ergens ontwaardde ik een bankje waarop we plaatsnamen. De stilte sloop bij me naar binnen, het voelde koud maar niet onaangenaam en Mijn Gedachten verdwenen tussen de bomen ik voelde een paar ogen op me gericht maar waar vandaan waar ik niets meer zag dan donkerte bladeren stammen en stilte. Het bankje zweefde me omhoog, ik vloog tussen de toppen de takken in mijn gezicht steeds sneller ik moest me vastklemmen en waar was ik nog?