Aan de keukentafel (5)

Ik dacht dat ik een vrouw bij mijn voordeur zag, maar toen de bel ging en ik open deed, bleek het een wat oudere man in een bloemetjesjurk, op hotelslippers. Hij hield een sleutelbos voor m’n gezicht. Tussen het ijzer glinsterde een rood glitterhart.
Hij vroeg me, waar zijn huis woonde.
Nu consider ik mezelf redelijk straat, terwijl ik toch de taal niet praat.
Maar, deze man? Hij sprak licht geaffecteerd, zijn baard was duidelijk niet hip bedoeld, en ik vermoedde dat zijn tekst door iets anders dan door streetwise homies was ingegeven.
Ik nodigde hem uit voor een biertje; samen met de koelte van mijn keuken zou dat hem misschien wel goed doen. Ondertussen kon ik broeden op een passend antwoord op zijn vreemde vraag.

Terwijl hij voorzichtig de gang in flipflopte – de sleutelbos nog steeds voor zich uit, en met zijn andere hand een punt van z’n jurk vasthoudend – dacht ik aan huizen die niet wonen. Huizen die staan.
“Ik weet waar je huis woont”.
Maar hoe weet ik waar zíjn huis woont?
Vroeg hij me eigenlijk of ik hem zou weten te vinden als hij iets vervelends zou doen? Hád hij al iets gedaan? Of had hij plannen?

Aan tafel gaf ik ons beide een appel en een fruitmesje. Het leek me het enig juiste. Een man van dit raadselachtige kaliber moet je wat te doen geven. En je moet hem je vertrouwen geven. In de hoop dat het niet beschaamd zal worden.

Tijdens het langzame schillen begon hij te grinniken. Ik schonk nog wat bier bij, dat hij naar binnen goot alsof hij dagenlang niets gedronken had. En dit leek voor zowel het vocht- als het alcoholgehalte te gelden.
Zeker een half uur lang gebeurde er niets. Hij blééf schillen, zelfs toen de schil allang weggeschild en het klokhuis bereikt was.

De appel werd de schil. Mijn huis werd zijn huis.