Aan de keukentafel (4)

Ondanks de grijze drup kwam de voorzitter van het Verbond van Radicaliserende Ouderen bij me langs vanochtend. Ik vermoed dat hij hoopte dat ik een borrel zou schenken naast zijn koffie, maar dat deed ik niet. Het moet niet te gek worden.

Hij vertelde me, dat er sinds het begin van dit jaar een enorme instroom van nieuwe leden gaande was, en dat al die nieuwe tientjes nodig gekanaliseerd dienden te worden in een ordentelijke administratie. Hij vroeg me of ik hun penningmeester wilde worden, en even had ik zicht op een glorierijke toekomst.
Helaas was het een onbezoldigde functie.
Ik liet hem de bodemloze put van mijn portemonnaie zien. Een put waarin belangen zich maar al te gemakkelijk verstrengelden, en waarin de tientjes even gemakkelijk naar beneden zouden kunnen dwarrelen.

Misnoegd droop hij af. Hij had zelfs zijn koffie niet opgedronken, wat misschien wel als behoorlijk radicaal gezien zou kunnen worden.
Maar niet getreurd, de volgende gast stond al in de deuropening.

Met haar voet en haar lieve zoontje van acht tussen de deur, bedelde ze om een gesprek van mens tot mens. Ik kon moeilijk weigeren. In deze barre tijden komt men al zo weinig tot werkelijke gesprekken.
Ik vulde het verlaten kopje koffie weer bij, en deed een poging tot werkelijk luisteren. Maar al snel dwaalden mijn gedachten af, als ik zag hoe zij haar koffie dronk. Het was een soort gulzig naar binnen klokken, waar het dan enige seconden in de mond bleef, alsof ze van plan was het weer uit te spugen. Maar dan -gelukkig!- besloot het alsnog door te slikken. Ik kreeg vervelende associaties. En daarbij was ik dan ook nog getuige van de vermenging van het kwijl van de radicale oudere met dat van de Jehova.
Welke chemische reactie er plaatsvond, valt moeilijk vast te stellen.
Het ging snel.
Haar haar werd plotseling vuurrood en haar borsten zwollen zodanig dat haar blouse en bh los knapten. Haar hoofd begon te draaien, ze stak haar inmiddels blauwzwart geworden tong uit en maakte enge keelgeluiden.
Het kind rende gillend weg.
Snel pakte ik het bot van de hond, die zich angstig achter een stoel verscholen had, en wierp het achter het jongetje aan naar buiten.
De duivelin galoppeerde er kwijlend achteraan.

Wat ik toen op straat hoorde, riep vragen op, maar ik sloot de deur. Ik kan het niet genoeg benadrukken: hier woont een goed mens.