Aan de keukentafel (1)

Bij mij aan de keukentafel zit Vanputten. Ik noem haar zo, zelf noemt zij zich liever niet. Ze heeft zich volledig weggecijferd, zodanig dat er nog net een stipje op de zitting van de houten stoel zichtbaar is. Ik hoor haar klagen aan: een stemmetje uit de verte dat haar herinneringen doet smelten met een hevigheid die aan zelfontbranding zou doen denken, ware het niet dat je het niet ziet.
Daar is het nét allemaal te klein voor.
Met mijn telescoop staar ik haar aan. Dit is de vijfde keer dat zij langskomt, binnen één week. De stip waant zich het middelpunt, en het is haar even gegund, maar het moet toch niet zo zijn, dat ik nou iedere dag de klos ben. Haar gezoem hangt mij eigenlijk al dagen de keel uit. Ik pak de ochtendkrant. In één klap rust.
Het vaatdoekje zuigt haar gulzig op als ik de zitting afneem.

De planten roepen. Ik moet gaan. Water nemen, leven geven.
Je zou het niet zeggen, maar ik ben een goed mens.